Geschiedenis
Geschiedenis

Sommige toponymisten zijn van mening dat Barvaux zijn oorsprong vindt in het Keltische "bar", een term voor hoogtepunt, toppunt. Deze definitie strookt in ieder geval met de topografie van Barvaux en zijn heuvel van de Ténimont. Anderen denken eerder dat Barvaux "drassige valei" betekent. Oorspronkelijk was Barvaux inderdaad een moerassige site waar men vandaag nog talrijke fossielen ontdekt. In 972 heette de plaats Barevel (Barvêt in het Waals).

Archeologische ontdekkingen op het plateau van de Eresses (bijlen en schrapers in silex,...) leveren het bewijs dat de site reeds bewoond was tijdens het Neolythicum (2000 jaar voor Christus). Anderzijds werden op de heuvel van de Ténimont in 1895 belangrijke ontdekkingen gedaan van Romeinse overblijfsels. Waarschijnlijk bestond hier een Romeinse necropool. Vroeger was deze rotsachtige heuvel, die steil boven de Ourthe verrijst, een soort natuurlijke oppidum (versterking) die als schuilplaats diende voor de Romeinen en de Franken.
Tijdens de oprichting van de grot, gewijd aan O.L.Vr. van Lourdes, in 1927, werden Frankische graven ontdekt in de helling van de heuvel (Salische Franken uit de 3de tot 5de eeuw). De belangrijkste scheen dat van een groot opperhoofd (1m90) dat rechtopstaand werd begraven met een hele inboedel.

Barvaux wordt nadien de zetel van een van de vier hoven van het Land van Durbuy, maar de voornaamste activiteit is ontegensprekelijk de binnenscheepvaart, verantwoordelijk voor de economische ontwikkeling van de stad. Tussen de 15de en de 19de eeuw werden er pakhuizen ingericht voor het stapelen van de goederen die via La Roche van de Hoge Ardennen kwamen.

Documenten uit de 16de eeuw spreken van een intens verkeer tussen Luik en Durbuy. Een eeuw later wordt Barvaux uitgeroepen tot "Haven van de eigenaars van de hoogovens van de vallei van de Aisne".
De binnenscheepvaarders van de Ourthe werden "Outhleux" genoemd en het verkeer gebeurde op de bekende "bètchètes", lange vaartuigen met platte bodems (18 tot 20 meter lang) waarvan de voor- en achtersteven sterk omgebogen zijn om gemakkelijker door de spuien te manoeuvreren.

In de 18de eeuw ontwikkelde zich de ledernijverheid, die helaas de grote leerlooierijen van Stavelot niet kon concurreren. De Hollandse periode, 1815-1830, was gekenmerkt door het hoogtepunt van de binnenscheepvaart : Barvaux was het centrum van de bevoorrading van koloniale waren voor heel het oostelijk deel van de provincie Luxemburg. Het was de tijd van de expansie van het familiebedrijf Collin dat naast pakhuizen ook een handelskantoor bezat (het huidige restaurant La Poivrière) waar u op het balkon nog steeds het zwarte anker van de binnenscheepvaarders kan zien.
De opkomst van de spoorweg in 1866 betekent nochtans het einde van de binnenvaart.

Vandaag is Barvaux voornamelijk een handels- en toeristisch centrum, maar ook de administratieve zetel van het nieuwe Durbuy.
Mathieu de Geer, een Luiks metaalbewerker die zich in 1619 in het Land van Durbuy te Barvaux vestigde bezat er langs de Ourthe pakhuizen en een laadkade. Hij werd de belangrijkste metaalgieter van de streek alvorens naar Zweden te trekken bij zijn broer om daar de metaalnijverheid te helpen uitbreiden. De feestzaal van Barvaux draagt zijn naam.